Opgelet!

Dit werkinstrument heeft geen bindende legale waarde. Het is een referentiedocument gebaseerd op juridische analyse


De volledige gelaatsbedekking in openbare plaatsen in België

Ondertussen werd de « burqa » verboden bij wet van 1 juni 2011 (BS 13.07.2011) tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt. Er werden drie verzoeken tot schorsing ingediend bij het Grondwettelijk Hof tegen deze wet (rolnummers: 5191, 5204 en 5289). Het Hof heeft bij arrest dd. 5 oktober 2011 (148/2011) de verzoeken tot schorsing verworpen. Zie ook de uitspraak van de Politierechtbank te Brussel dd. 26.01.2011 op de website van het Centrum (boete wegens overtreding politiereglement) en het arrest 213.849 dd. 15.06.2011 van de Raad van State (verzoek tot vernietiging van nieuw artikel politiereglement Verviers).

 

 

Het Centrum meent dat de problematiek van de volledige gelaatsbedekking (Burqa, niqab) niet moet vermengd worden met het thema veruiterlijkingen van godsdienstige en andere overtuigingen zoals in onderhavig document behandeld. Daarom komt de volledige gelaatsbedekking hier niet als dusdanig aan bod en momenteel heeft het Centrum hierover nog geen advies of aanbeveling geformuleerd.

 

Het Centrum krijgt deze vraag evenwel vaak voorgeschoteld. De Adjunct – directeur Edouard Delruelle werd op 13 november 2009 bevraagd door een Franse Parlementaire Commissie over het “dragen van volledige gelaatsbedekking op het nationale grondgebied”. De bedenkingen die hij formuleerde zijn weliswaar een weerspiegeling van de stand van zaken van de werkzaamheden binnen het Centrum, maar blijven thans de vertolking van een persoonlijk standpunt.

 

 

 

De volledige gelaatsbedekking in openbare plaatsen in België

Tekst van de hoorzitting van E. Delruelle bij de Franse parlementaire Onderzoekscommissie over het “dragen van volledige gelaatsbedekking op het nationale grondgebied”. Franse ambassade, 13 november 2009

 

1. Waarover praten we?

Het begrip burqa verwijst naar een doek bestaande uit één of twee stukken stof die de totaliteit van het lichaam bedekt, inclusief het gelaat, waardoor enkel de ogen van de vrouw zichtbaar zijn. Vaak worden de ogen afgeschermd door een getraliede stof die het mogelijk maakt te kijken zonder gezien te worden (“volledige burqa” of “Afghaanse burqa”) of een fijn gaas (“niqab”). Om verwarring te vermijden zal ik spreken over “volledige gelaatsbedekking”, zoals gebruikelijk in Frankrijk.

 

2. Belgische realiteit en cijfergegevens.

In België is het bijzonder moeilijk om de omvang van het fenomeen in te schatten. We beschikken niet over cijfers, zelfs niet over ramingen. Toch lijkt de volledige gelaatsbedekking slechts in een beperkt aantal gemeenten voor te komen in het straatbeeld en gaat het om enkele tientallen of honderden vrouwen, leden van het diplomatieke personeel inbegrepen.

De media hebben daarentegen aan dit fenomeen veel aandacht besteed. De laatste maanden werden tal van politieke en intellectuele standpunten ingenomen, meestal negatief ten aanzien van de volledige gelaatsbedekking. De omvang van de debatten is evenwel bescheidener dan in Frankrijk en de reden daarvoor ligt voor de hand: de Belgische wetgevers hebben, in tegenstelling tot Frankrijk, nog geen oplossingen via wetgevende weg uitgewerkt voor de problematiek van de hoofddoek in de scholen en de openbare diensten; dit debat mobiliseert momenteel alle tussenkomsten waardoor de problematiek van de volledige gelaatsbedekking naar de achtergrond verdwijnt.

Bepaalde overheden hebben in België verschillende initiatieven genomen om het fenomeen van de volledige gelaatsbedekking in te perken.

Vanaf 2004 heeft de heer Ph. Moureaux, burgemeester van Sint-Jans-Molenbeek, gemeente in het Brusselse, als eerste het initiatief genomen. Het politiereglement verbiedt in de openbare ruimte de volledige gelaatsbedekking, tenzij uitdrukkelijke toestemming van de burgemeester. Dit verbod is thans van toepassin gin tal van gemeenten en politiezones (Sint-Agatha-Berchem, Brussel Stad, Ganshoren, Koekelberg, Jette, Molenbeek, Schaerbeek, Sint-Joost-ten-Node, Evere). De administratieve boetes gaan van 150 € tot 250 €.

Een universitaire studie, gepubliceerd in mei 2008, stelt vast dat het vervolgen van de inbreuk verschilt van gemeente tot gemeente[1] . Op dat ogenblik werden in vier gemeenten vrouwen aangesproken op hun volledige gelaatsbedekking: Sint-Jans-Molenbeek (21 PV), Brussel Stad (7 PV), Sint-Gillis (2 PV) en Koekelberg (3 PV). In Molenbeek werden de 21 dossiers afgehandeld mits betaling van een boete gaande van 50 tot 150 €. In Koekelberg werd elke inbreuk bestraft met een boete van 75 €.

In Vlaanderen richtte Minister voor Vlaams Binnenlands Beleid, Marino Keulen, eind 2004 een modelreglement tot verbod van de burqa in de openbare ruimte, aan alle gemeenten. Dit rondschrijven informeerde hen dat, mits een kleine aanpassing van het politiereglement, ze de facto een verbod op het dragen van de burqa konden invoeren.

Vandaag zijn er een aantal politiezones (Genk, Westkust, Maaseik, Antwerpen) waar de volledige gelaatsbedekking in de openbare ruimte verboden is. De extreem rechtse partij Vlaams Belang bevraagt regelmatig de burgemeesters over deze kwestie, zelfs in gemeenten waar er zich geen problemen voordoen.

Bij mijn weten hebben, in Wallonië, enkel de gemeenten Verviers, Pepinster en Dison (gesitueerd in dezelfde politiezone) gelijkaardige maatregelen genomen door de aanpassing van het politiereglement, onder druk van feministische organisaties[2] .

Bij de mediatisering hiervan op plaatselijk vlak is er een poging tot bemiddeling geweest door een islamitische vereniging die de moskeeën groepeert (Association des Musulmans de Verviers et de l’Arrondissement – AMVA).

Ik kreeg de volgende cijfergegevens toegespeeld.

In de gemeente Verviers droegen ongeveer 15 vrouwen de “niqab”, doch deze vrouwen waren niet echt zichtbaar aangezien ze meestal binnen bleven. Enkele anderen, bekeerde Belgen of vrouwen van Tchetcheense afkomst, kwamen vaker hun huis uit zodat de niqab zichtbaar werd in het straatbeeld wat protest uitlokte bij de plaatselijke bevolking. Hierdoor gingen feministische organisaties acties opstarten.

Op het ogenblik dat het verbod in voege trad droegen 28 vrouwen de niqab op een islamitische gemeenschap die geschat wordt op 15 à 20% van de totale bevolking (55.000). Deze kleine groep vrouwen was bijzonder heterogeen samengesteld: verschillende afkomst (voornamelijk Marokkaanse afkomst maar ook Belgische bekeerden en vrouwen van Tchetcheense afkomst die recent overtuigd werden om de niqab te dragen), verschillende tendensen binnen de Sunnitische strekking. Deze vrouwen bezochten niet allemaal dezelfde moskee, voor zover ze overigens een moskee bezochten. Ze komen uit verschillende sociale milieus en buurten.

Geen enkele leek geconfronteerd met een gewelddadige echtgenoot, of zelfs maar enige druk te ondergaan, doch dit is moeilijk te controleren. Er blijkt zelfs een geval geweest te zijn, volgens de “onderhandelaars”, waarbij een vrouw zich verzette tegen haar echtgenoot die er op aandrong dat ze zich zou voegen naar de nieuwe reglementering; ondanks het aandringen van haar echtgenoot heeft ze niet van de niqab afgezien.

In het algemeen waren de motieven van de vrouwen evenmin politiek geïnspireerd maar getuigden ze eerder van de wens om terug te grijpen naar de basis van de islam, een extreme eerbaarheid aan de dag te leggen en hun godsdienst afgezonderd van de samenleving te beleven. Na een informele “onderhandeling” hebben de meeste een compromis aanvaard (bijvoorbeeld hun gelaat zichtbaar maken om herkenbaar te zijn bij de schooluitgang), maar ze bleven onverbiddelijk voor het principe van de volledige gelaatsbedekking.

Uiteindelijk hebben de lokale verantwoordelijke politici afgezien van de dialoog die was opgestart door de “onderhandelaars” en de reglementering gestemd. Een kleine minderheid (2, 3) heeft aanvaard om de gebruikelijke islamitische hoofddoek te dragen. Eén koppel, met een kindje, heeft er voor gekozen om in Saoedie Arabië te gaan leven. Eén vrouw zou naar Marokko zijn teruggekeerd. De reglementering is thans in voege maar de straf wordt nagenoeg niet toegepast (administratieve geldboete van 50 tot 250 €). Er werden een paar processen verbaal opgesteld maar de vrouwen die de niqab dragen betalen liever een boete dan hun gelaat toonbaar te maken. De praktijk werd dus ontmoedigd maar helemaal niet uitgeroeid.

Deze informaties zijn betrouwbaar en we kunnen er dus iets uit leren, ook al hebben ze natuurlijk geen wetenschappelijk karakter.

Er dient nogmaals benadrukt te worden dat er een gebrek is aan objectieve informatie over de volledige gelaatsbedekking. Het is niet alleen bijzonder moeilijk om het belang van het fenomeen te meten, maar de aard ervan, de impact, het “rollenspel” tussen mannen en vrouwen binnen deze gezinnen, de invloed van de religieuze voorschriften, enz. er is nood aan een ernstig universitair onderzoek. Ze zou niet tot voorwerp hebben wat op wetgevend vlak dient te gebeuren (want ze kan zich niet uitspreken over het principe dat van ethische en juridische aard is) maar kan aan de politieke verantwoordelijken toelichting geven.

 

3. Moet de volledige gelaatsbedekking verboden worden?

Op deze ethische princiepskwestie is mijn persoonlijk standpunt ondubbelzinnig: de volledige gelaatsbedekking hoort niet thuis in de Belgische samenleving, evenmin in een moderne samenleving in het algemeen. Geen enkel cultureel relativisme kan een praktijk rechtvaardigen die in tegenstrijd is met het concept van de menselijke waardigheid binnen het hedendaagse recht.

Het is evenwel een andere vraag te weten of een wettelijk verbod opportuun is en zo ja, op grond van welke eventuele juridische basis.

  • Is de volledige gelaatsbedekking een uitdrukking van een religieuze overtuiging?

Eerst en vooral moet de vraag gesteld worden of het dragen van een volledige gelaatsbedekking al dan niet een uitdrukking is van het recht om zijn religieuze overtuiging te veruiterlijken. Dit is een essentiële vraag. Het verbod van de volledige gelaatsbedekking als een onaanvaardbare vorm van fundamentalisme en culturele regressie betekent een indirecte erkenning van de uitdrukking binnen een religieus kader. Het is dan ook binnen dit kader dat de motivering van het verbod moet gevonden worden. Ik denk dat dit inderdaad het geval is en de gevolgen daarvan moeten goed afgewogen worden.

Er bestaat tot op heden geen internationale uitspraak, meer bepaald van het Hof voor de Rechten van de Mens, aangaande de al dan niet “religieuze” aard van de volledige gelaatsbedekking.

We kunnen toch inspiratie vinden bij de rechtspraak van het Hof. Inderdaad, in de zaak Sahin vs. Turkije[3] , meende het Hof aangaande het dragen van de islamitische hoofddoek dat: “in de mate dat een vrouw meent dat ze een religieus voorschrift volgt en hierdoor haar wil te kennen geeft om zich strikt te gedragen naar de verplichtingen van de islamitische godsdienst, kan men er van uitgaan dat deze daad gemotiveerd of geïnspireerd is door een godsdienst of overtuiging”. Deze redenering dringt zich op “zonder zich uit te spreken over de vraag of deze daad, in alle gevallen, het volbrengen van een religieuze verplichting behelst”. Volgens het Hof kan men dus “een persoonlijke of subjectieve invulling van de vrijheid van godsdienst” aannemen[4] .

We kunnen hier dus uit afleiden dat de volledige gelaatsbedekking een uitdrukking vormt van een religieuze overtuiging. Artikel 9 van het Europese verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient dus toegepast te worden:

“Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat
tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid
hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn
godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de
praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.”

  • Welke zijn de beperkingen om in de openbare ruimte zijn vrijheid van godsdienst te beleven?

Het feit dat de volledige gelaatsbedekking als een veruiterlijking van godsdienstige overtuiging kan gezien worden betekent niet dat er geen verbod zou mogelijk zijn. Geen enkele vrijheid, zelfs een fundamentele, is absoluut:

“De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen
zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische
samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming
van de rechten en vrijheden van anderen.”

Ik sluit de motiveringen uit die het verbod op extremistische groeperingen (in casu “islamitisch”) en / of hun activiteiten verbieden, want er kan geen enkele ernstig verband aangetoond worden tussen het dragen van een volledige gelaatsbedekking en het volbrengen van antidemocratische feiten.

Voor wat mij betreft zijn de twee enige rechtvaardigingen van juridische aard voor een eventueel verbod:

  • de openbare veiligheid;
  • de openbare zeden of ethiek.

Doch geen van beiden is op juridisch vlak volledig waterdicht.

 

>> In naam van de openbare veiligheid

Een argument dat vaak als doorslaggevend wordt beschouwd wanneer er een voorstel tot verbod van volledige gelaatsbedekking op de proppen komt is het mogelijke gevaar voor het binnendringen van onherkenbare individuen in de openbare ruimte.

Doch, het feit om zijn gelaat te bedekken vormt op zich geen aantasting van de veiligheid. Soms is zelfs het tegendeel waar (bijvoorbeeld de helm voor de motorrijder). Het bedekken van het gelaat houdt slechts gevaar in wanneer de identificatie van personen noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij het voorleggen van een identiteitsdocument, of om zijn kind af te halen bij het einde van de schooldag, enz. de rechtspraak van het Europese Hof geeft andere voorbeelden van gerechtvaardigde beperkingen omwille van de bescherming van de openbare orde of openbare veiligheid[5] , onder meer in een luchthaven of een consulaat. Een advies van de HALDE (Haute Autorité de Lutte contre les Discriminations et pour l’Egalité – Frankrijk) inzake vorming gaat in dezelfde zin[6] .

Maar het gaat steeds om welbepaalde maatregelen in verhouding tot het te bereiken doel. Een algemeen verbod van volledige gelaatsbedekking rechtvaardigen op grond van de openbare veiligheid is dus vatbaar voor kritiek.

 

>> In naam van de ethiek

Het is bijzonder moeilijk om een definitie te geven van openbare zeden / ethiek of de goede zeden. Deze begrippen roepen, traditioneel, beelden op van afwijkende seksuele praktijken en gokspelen. Schending van de eerbied voor personen of de menselijke waardigheid, gedragingen die van aard zijn om de gezondheid of de opvoeding van de jeugd aan te tasten, zijn voorbeelden van gedrag dat vandaag strafbaar zou zijn. Kan men op die grond de volledige gelaatsbedekking bestempelen als strijdig met de goede zeden? Deze denkpiste kan gerust bewandeld worden al was het maar omdat iedereen het er over eens is dat twee zaken absoluut niet kunnen in de openbare ruimte: volledig naakt rondlopen en het gelaat volledig bedekken. Ik zou evenwel niet voor deze basis kiezen om de volledige gelaatsbedekking te verbieden. De rechtspraak sluit religieuze aangelegenheden uit van de juridische bepalingen die de ethiek aangaan en beperkt hun interpretatie tot seksuele gedragingen.

 

>> In naam van de algemene rechtsprincipes

De enige denkpiste die mogelijks overblijft leidt ons naar de uiterste grenzen van het recht.

Zou de eerlijkste rechtvaardiging er niet kunnen in bestaan dat de volledige gelaatsbedekking eenvoudigweg strijdig is met de fundamenten van ons ethisch en juridisch systeem? Het moderne recht erkent de subjectieve rechten, dit betekent op de uitoefening van rechten die met de persoon, als individu, verbonden zijn. Met dit principe zijn onafscheidelijk verbonden de gelijke waardigheid van personen en hun wederzijdse herkenning in de openbare ruimte. Deze principes treden pas in werking in de samenleving op grond van hun concrete verwezenlijkingen, te beginnen met de mogelijke identificatie van rechtssubjecten in de openbare ruimte. Deze concrete verwezenlijkingen zijn niet echt juridisch van aard (in de mate dat ze niet eens moeten geformuleerd worden omwille van hun vanzelfsprekendheid) maar we kunnen niet ontkennen dat ze de basis vormen voor het recht. Ons systeem van sociale en juridische relaties zou geen tien minuten stand houden als alle sociale actoren systematisch hun gelaat volledig bedekten voor anderen, zoals vrouwen die burqa of niqab dragen het doen.

De vraag die dan moet gesteld worden is of de noodzaak, aanvankelijk niet juridisch, om zich herkenbaar te maken en dus het gelaat te tonen, een juridische verplichting kan of moet worden ingevolge de tussenkomst van de wetgever of de grondwetgever. Ik meen dat de ethische en antropologische evidentie van de eenheid en specificiteit van het individu, het meest ernstige argument is waarop de wetgevende instantie zich zou kunnen steunen.

Dit argument slorpt als het ware de gelijkheid vrouw – man op die in deze materie vaak aan bod komt.

Twee normatieve mogelijkheden inzake het verbod op de volledige gelaatsbedekking

Twee normatieve mogelijkheden kunnen overwogen worden:

  • een hervorming van het Strafwetboek, dit betekent een wetgevend initiatief op federaal vlak;
  • politiereglementen in de gemeenten waar het probleem zich voordoet.

Ik pleit voor de tweede mogelijkheid.

Een wet heeft natuurlijk een hogere normatieve waarde en is ontegensprekelijk een sterker symbool. In België werden op federaal vlak verschillende wetsvoorstellen ingediend tot invoering van het verbod voor een persoon om op de openbare weg of in openbare plaatsen zijn gelaat te bedekken of verbergen (De Donnea, Defraigne), of tot oprichting van een parlementaire commissie zoals het Franse parlement deed (Lizin). Doch deze juridische weg komt in aanraking met de tegenargumenten die hierboven werden opgesomd betreffende de juridische motivering: openbare veiligheid of openbare zeden – geen van deze motiveringen lijkt me overtuigend.

Het zijn uiteindelijk de gemeentereglementen, die identificatie van de burgers verplichten in de openbare ruimte, die thans, zo lijkt me, de meest handige oplossing zijn gelet op de marginaliteit van het fenomeen. Het vooropgestelde doel wordt bereikt: op heel concrete manier van de openbare ruimte een echte openbare ruimte maken waar relaties tussen burgers, erkende dragers van rechten, mogelijk zijn.

Om te eindigen wil ik de nadruk leggen op drie complementaire maatregelen die zouden moeten genomen worden parallel met eventuele normatieve bepalingen:

  • de sociale, psychologische en juridische ondersteuning van vrouwen die de volledige gelaatsbedekking niet wensen te dragen;
  • bemiddeling bij vrouwen die hun gelaat bedekken om de zin van een eventueel verbod, alsook de gevolgen op hun dagelijks leven, uit te leggen;
  • grondige universitaire studies (sociologisch, antropologisch, psychologisch) om het fenomeen, en wat het verbergt, beter te kunnen begrijpen.

Edouard Delruelle
Professor politieke filosofie – Universiteit Luik
Adjunct Directeur bij het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.


 ---

Referenties

[1] Karen Meerschaut, Paul De Hert, Serge Gutwirth et Ann Vander Steene: L’utilisation des sanctions administratives communales par les communes bruxelloises. La Région de Bruxelles-Capitale doit-elle jouer un rôle régulateur ?www.brusselsstudies.be numéro 18, 19 mai 2008

[2]« Article 113 : Sauf autorisation du Bourgmestre, le port du masque et l'emploi d'un stratagème quelconque de nature à dissimuler  l'identité des personnes sont interdits en tout temps, dans toute réunion et tout lieu publics ainsi que sur la voie publique. Lorsque l'autorisation est accordée, l'identité complète des personnes masquées devra être communiquée préalablement à la tenue de la manifestation au Bourgmestre compétent. Article 113bis : Le port d'une tenue vestimentaire dissimulant le visage des personnes est interdit en tout temps et dans tout lieu public. Par contre, le port d'un casque, cagoule ou autre couvre-chef est autorisé lorsqu'il s'inscrit dans le cadre des législations relatives à la sécurité des travailleurs, ou autres ».

[3]EHRM, 10 november 2005

[4]Het Hoog Gerechtshof van canada houdt dezelfde redenering aan in de zaak Amselem. Het Hof definieert er de religieuze vrijheid als: « la liberté de se livrer à des pratiques et d’entretenir des croyances ayant un lien avec une religion, pratiques et croyances que l’intéressé exerce ou manifeste sincèrement, selon le cas, dans le but de communiquer avec une entité divine ou dans le cadre de sa foi spirituelle, indépendamment de la question de savoir si la pratique ou la croyance est prescrite par un dogme religieux officiel ou conforme à la position de représentants religieux ». Cour suprême du Canada, 30 juin 2004 Syndicat Northcrest c. Amselem.

[5]Comm.E.D.H. 19 mars 1981 Swami c/ Royaume-Uni ; Comm.E.D.H. 12
juillet 1978 X c/Royaume-Uni).

[6]Délibération n°2008-193 du 15 septembre 2008 : « la Haute Autorité décide que l’obligation faite aux personnes suivant une formation linguistique dans le cadre du contrat d’accueil et d’intégration de retirer la burqa ou le niqab est constitutive d’une restriction se conformant aux exigences des articles 9 et 14 de la CEDH ». « Il ne semblerait pas a priori déraisonnable de considérer que les exigences de sécurité publique, s’agissant de l’identification des personnes, ou encore la protection des droits et libertés d’autrui, pourraient être considérées comme des buts légitimes, prévus par la loi, justifiant l’interdiction du port de la burqa dans l’accès à une formation linguistique obligatoire ».

 

Memorandum federale verkiezingen 2010:

1.1. Verbod van de burqa: een veralgemeend verbod is niet evident

Op 29 april 2010 heeft de Kamer bij éénparigheid van stemmen (min 2 onthoudingen) een wetsvoorstel goedgekeurd tot invoeging van artikel 563bis in het Strafwetboek, waarbij boetes en gevangenisstraffen voorzien worden, “tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt”. De discussie is nog niet afgerond want de Senaat moet zich nog over het voorstel uitspreken, gevolgd door een eventuele terugkeer naar de Kamer.

Over het principe is het Centrum duidelijk: een integrale hoofddoek heeft geen plaats in de Belgische samenleving en het sociale leven, meer nog, deze hoort niet thuis in een moderne samenleving. Vaak wordt het argument van openbare veiligheid naar voor geschoven,maar de draagwijdte daarvan is beperkt. Het zijn eerder principes van openbare orde en sociale communicatie die aan deze praktijk kunnen tegengesteld worden. De mogelijkheid om iemands gelaat te zien en hem dus als rechtssubject te erkennen vormt de basis voor de communicatie tussen leden van een samenleving.

Het Centrum heeft evenwel vragen bij de geldigheid van het juridisch instrument dat de wetgever gekozen heeft om het dragen van een integrale hoofddoek in de openbare ruimte te verbieden. Het is voor het Centrum niet aangewezen om in hoogdringendheid, zonder debat of veel voorbereiding, in tegenstelling tot wat bijvoorbeeld in Frankrijk gebeurde, dit verbod op te leggen. Dergelijke overhaasting kan zowel in binnensland als in buitenland verkeerd begrepen worden. Het Centrum is niet overtuigd dat een algemeen verbod het beste middel is om het gerechtvaardigde doel te bereiken, namelijk, de verspreiding van de integrale hoofddoek tegengaan. Voor elke definitieve goedkeuring door het Parlement is het noodzakelijk:

  1. de conformiteit van het instrument met de grondrechten gewaarborgd door de Belgische Grondwet en de Internationale Verdragen, te evalueren. Het Centrum stelt voor dat het Parlement, net zoals in Frankrijk, het advies vraagt van de Raad van State;
  2. het is aangewezen om een debat te voeren over wat juist dient verstaan te worden onder de “openbare orde” waarop het verbod steunt. Er moet in het bijzonder nagegaan worden of dit begrip niet “positief” kan ingevuld worden. Dit betekent niet enkel als verschansing tegen de misbruiken die voortvloeien uit de ongebreidelde uitoefening van rechten, maar als erkende basisvereiste voor hun uitoefening;
  3. het kader en de draagwijdte van het juridische instrument, alsook de gehanteerde begrippen, moeten preciezer gesteld worden.

Frankrijk : Projet de loi nr. 2520 interdisant la dissimulation du visage dans l’espace public (www.assemblee-nationale.fr).
 

Print deze pagina Klein lettertype Normaal lettertype Groot lettertype Any Surfer website