Opgelet!

Dit werkinstrument heeft geen bindende legale waarde. Het is een referentiedocument gebaseerd op juridische analyse


Neutraliteitsbeginsel

 

Onbetwiste principes:

  • De Staat is neutraal en de ambtenaren van openbare diensten moeten neutraal handelen.

Statuut van de ambtenaren van het openbaar ambt: De rijksambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen.


Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen. (K.B. 14 juni 2007 betreffende het statuut van de federale publieke ambtenaren, artikel 8, § 1).

  • De scheiding tussen Kerk en staat, zijnde het principe van de volledige onafhankelijkheid en autonomie van de politiek ten aanzien van elke godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, is niet expliciet opgenomen in de Grondwet.
  • De neutraliteit van de overheid volgt uit de volgende artikelen van de Grondwet:

    • 19: vrijheid van eredienst en hun openbare uitvoering, vrijheid van meningsuiting
    • 20: geen dwang voor handelingen of plechtigheden van de cultus
    • 21: geen tussenkomst van de staat bij de benoeming van de bedienaars van de eredienst
  • De Raad van State stelt het als volgt:

    • “In een democratische rechtsstaat dient de overheid neutraal te zijn, omdat zij de overheid is van en voor alle burgers en omdat zij deze in beginsel gelijk dient te behandelen zonder te discrimineren op grond van hun religie, hun levensbeschouwing of hun voorkeur voor een gemeenschap of partij. Om die reden mag dan ook van de overheidsbeambten worden verwacht dat ook zij zich in de uitoefening van hun functie ten aanzien van de burgers strikt houden aan deze neutraliteit en aan het beginsel van de benuttingsgelijkheid.” (Advies n° 44.521/AG van 20 mei 2008 van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het Wetsvoorstel houdende toepassing van de scheiding van de Staat en de religieuze of niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties of gemeenschappen, Parl. Handelingen Senaat, Gewone zitting, 2007-2008, n°4-351/2, p. 8).

       
    • Het beginsel van onpartijdigheid is geschonden van zodra een schijn van onpartijdigheid legitieme twijfels laat rijzen over de bekwaamheid van de beambte om zijn taak in volledige onpartijdigheid uit te voeren. (C.E. (8ste kamer), 25 november 2003, NOEL, n°125678; C.E. (Algemene Vergadering), 27 mei 2008, SLABBAERT, n°183480; C.E. ( 8ste Kamer), 30 januari 2007, EBENS EN HANSSENS, n°167303 )
       

Inhoud en draagwijdte van het neutraliteitsconcept:

  • In België bestaat er geen definitie van het neutraliteitsconcept van de ambtenaren van de openbare diensten.
     
  • Er zijn echter verschillende interpretaties mogelijk:

    • Exclusieve neutraliteit:

      • Verbod op alle veruiterlijkingen voor alle ambtenaren (federale overheid, gemeenschappen, gewesten, provincies, gemeenten, openbare instellingen)
      • De geleverde dienst EN het voorkomen van de ambtenaar moeten neutraal zijn: het gezag van de ambtenaar is verbonden aan zijn voorkomen in het openbaar
      • Deze interpretatie wordt gezien als waarborg voor een zekere interne coherentie tussen alle ambtenaren.
    • Inclusieve neutraliteit:

      • Geen verbod voor ambtenaren om veruiterlijkingen van overtuiging te dragen: alle veruiterlijkingen zijn toegelaten
      • ENKEL de geleverde dienst (daad) moet neutraal zijn en niet het voorkomen van de ambtenaar
      • Volgens deze interpretatie is het noodzakelijk om gewend te raken aan de religieuze en levensbeschouwelijke diversiteit in het openbaar ambt om neutraliteit te bereiken
    • Tussen deze twee vormen van neutraliteit zijn tal van invullingen (gemengd) van het begrip mogelijk:

      • Het verbod enkel opleggen aan bijvoorbeeld eerstelijnsambtenaren of ambtenaren die gezag en / of macht hebben over het publiek.


Dit debat betreffende de neutraliteit van de staat is echter niet van toepassing op de situatie van parlementairen. De leden van de parlementaire vergaderingen zijn geen beambten en kunnen niet 'politiek neutraal' zijn.

Het Parlement is dé plaats bij uitstek van het debat waar de verkozenen verschillende levensbeschouwelijke stromingen moeten kunnen verdedigen en zeer verschillende overtuigingen uitspreken door van een zeer grote vrijheid van meningsuiting te genieten. De rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens laat in dit verband geen enkele twijfel. Het Hof stelt inderdaad dat: “Het criterium van 'politieke neutraliteit’ kan niet op dezelfde wijze van toepassing zijn op afgevaardigden als op de andere beambten van de Staat. De eersten kunnen per definitie niet ‘politiek neutraal’ zijn." ( EVRM, Zdanoka c. Lettonie, § 117)”.


“Het zou tegenstrijdig zijn om de uitoefening van het mandaat dat ten doel heeft verschillende visies van de maatschappij binnen het Parlement weer te geven, te onderwerpen aan de voorwaarde om voorafgaand toe te treden tot een bepaalde wereldvisie” (EVRM, Buscarini en andere c. San Marino, § 39)



Verschillende wetteksten bekrachtigen de neutraliteit van de ambtenaren:

Koninklijke Besluiten en Besluiten van Gemeenschaps- en gewestregeringen houdende het statuut van de ambtenaren van de federale, gemeenschaps- en gewestelijke openbare diensten:
- KB 2/10/1937 ( federaal ) Art. 8, gewijzigd door KB 22/12/2000 en KB 14/06/2007
- Arr. Gouv. W. 17/11/1994
- RB VG 24/11/1993
- Arr. Coll. COCOF 13/04/1995
- Arr. Gouv. Cté F. 22/07/1996
 

Print deze pagina Klein lettertype Normaal lettertype Groot lettertype Any Surfer website