Opgelet!

Dit werkinstrument heeft geen bindende legale waarde. Het is een referentiedocument gebaseerd op juridische analyse


Aanzetten tot haat en verwerpelijk motief

 

De antiracisme- en antidiscriminatiewetten (wet van 30 juli 1981, zoals gewijzigd door de wet van 10 mei 2007 en de wet van 10 mei 2007: integraal te consulteren op de website van het Centrum: www.diversiteit.be, wetgeving, federaal) hebben twee types van strafrechtelijke bepalingen ingevoerd of bevestigd.

Enerzijds, het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of hun leden wegens één van de beschermde criteria en in het openbaar (voorwaarden opgesomd in artikel 444 van het Strafwetboek). Dit soort overtreding is bijna een kopie van de oude strafrechtelijke bepalingen van de oude wet van 30 juli 1981. Een illustratie van deze gedragingen vindt men terug in –weliswaar weinig uniforme- rechtspraak.


Bijvoorbeeld:

  • oproepen tot geweld jegens de supporters van een buitenlandse voetbalclub in het
    openbaar door middel van bewoordingen die geen twijfel laten [omtrent hun bedoeling];
     
  • een website bekladden met haatuitlatingen jegens de joodse of moslimgemeenschap.
     
  • In dergelijke situaties wordt de vrijheid van meningsuiting regelmatig vermeld (zie fiche: vrijheid van meningsuiting).

Anderzijds, was de strafverzwaring voor overtredingen gepleegd met een verwerpelijk motief al opgenomen in de oude wet van 25 februari 2003. Deze had de grondwettelijke controle al “doorstaan” (arrest 157/04 van 6 oktober 2004).

De invoering van het verwerpelijke motief in de tekst van de antidiscriminatiewetten is gerechtvaardigd vanuit de noodzaak om een adequate sanctie te voorzien voor een bijzondere categorie van misdaden en wanbedrijven waarbij de dader opzettelijk zijn slachtoffer heeft gekozen omwille van zijn lidmaatschap (of omwille van het feit dat hij in dit lidmaatschap gelooft) aan een groep beschermd door de wet en voortkomende uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid ten opzichte van deze categorie van personen. Het is deze motivatie die centraal aanwezig is in zijn handelen.

Dit vloeit voort uit verschillende Amerikaanse studies gevoerd naar aanleiding van wat de Amerikaanse rechtspraak als “hate crime” (haatmisdrijf) kwalificeert, namelijk dat bij deze soort misdrijven de schuld van de dader en de schade toegedaan aan het slachtoffer verschillend zijn wanneer het misdrijf werd gepleegd met verwerpelijk motief1 .

Enerzijds verklaren deze studies inderdaad dat wat de dader doet beslissen om zijn verwerpelijk misdrijf te plegen, in de meerderheid van de gevallen het behoren is van een persoon of van een groep van personen tot één van de categorieën op basis van een discriminatiegrond verboden door de wet. Dit motief is doorslaggevend, maar het is echter niet altijd het enige dat speelt. Andere redenen kunnen immers eveneens een dergelijke rol spelen, bijvoorbeeld de behoefte aan geld van de dader van het misdrijf.

Anderzijds blijkt uit dezelfde studies dat de schade toegebracht aan een slachtoffer van een misdrijf met verwerpelijk motief, vaak een belangrijke psychologische impact heeft op hem of haar.
Het slachtoffer is immers niet louter slachtoffer omdat het zich op het slechte moment op de slechte plaats bevond of omdat het in conflict kwam met de dader van het misdrijf: het is door de dader uitgekozen op basis van één van de discriminatiegronden. Bijgevolg raakt het verwerpelijk misdrijf het slachtoffer niet alleen in zijn fysieke integriteit. Het is bovendien een aanslag op zijn identiteit zelf. Men vergelijkt slachtoffers van een verwerpelijk misdrijf vaak met slachtoffers van een aanranding bij wie de psychologische aanslag vaak belangrijker is dan de lichamelijke aanslag, op zich eveneens heel ernstig2 .

Het blijkt aldus dat slachtoffers van verwerpelijke misdrijven symptomen vertonen van psychologische storingen zoals depressie, angst of ook een eenzaamheidsgevoel. Deze symptomen - ook vaak aanwezig bij andere slachtoffers - worden bij slachtoffers van verwerpelijke misdrijven nog versterkt door hun lidmaatschap aan een minderheid die hen er toe aanzet om een meer defensief en gereserveerd gedrag aan te nemen. De impact van het haatmisdrijf wordt immers door de historische en sociale context waarbinnen de minderheidsgroepen zich bevinden, veel groter gemaakt. Het gevoel van stigmatisatie dat zij voelen, is in werkelijkheid nog meer aanwezig.

Uit het voorgaande volgt dat het verwerpelijk motief niet alleen het individu zelf aantast, maar tevens de groep of de gemeenschap waartoe het individu behoort. Nadat een verwerpelijk misdrijf is gepleegd tegen één van hun leden, nemen de leden van deze gemeenschap zich een andere houding aan dan wanneer het misdrijf zou gepleegd zijn zonder verwerpelijk motief. Hun steun is gemotiveerd vanuit een diepe empathie aangezien sommige leden van de groep zich ook persoonlijk slachtoffer voelen van het gepleegde misdrijf. Dit gebeurt meer bepaald bij schennis van een graf van een Joodse familie door middel van antisemitische graffiti, zoals bijvoorbeeld het afbeelden van Davidsterren. De reactie van de ganse familie zal bijgevolg heviger zijn dan wanneer een ander soort van graffiti zou zijn aangebracht.

Men herinnert zich bijvoorbeeld een misdrijf dat gepleegd werd in Schaarbeek tegen een persoon van vreemde origine en dat duidelijk gemotiveerd werd door zijn lidmaatschap aan de gemeenschap van mensen van vreemde origine. In deze situatie was het duidelijk dat het haatmisdrijf eerder werd gepleegd met als doel en als gevolg het intimideren van de gemeenschap, eerder dan de familie van het slachtoffer zelf.

Niettemin dient men op te merken dat de invoeging van een verwerpelijk misdrijf in het strafwetboek niet impliceert dat voortaan elke misdaad of wanbedrijf gepleegd tegen een homoseksueel of een persoon met een handicap of elke andere persoon op basis van één van de discriminatiegronden beschermd door de wet, een misdrijf met verwerpelijk motief uitmaakt.

Inderdaad, men kan zich niet uitsluitend op het resultaat van het misdrijf baseren om uit te maken of er al dan niet een verwerpelijk motief aanwezig is. Het is enkel door middel van het onderzoek dat de motivatie van de schuldige kan worden aangetoond.

Het onderzoek is bijgevolg heel belangrijk om al dan niet het verwerpelijk karakter van de gepleegde misdaad of overtreding te bewijzen. In ieder geval, van zodra het slachtoffer een klacht indient en daarbij gewag maakt van zijn vermoeden van een verwerpelijk motief, is het bijzonder belangrijk dat in de onderzoeken onder meer het volgende wordt nagegaan:

  • de omstandigheden vóór en tijdens het misdrijf
     
  • de verklaringen afgelegd door de verdachte voor de daad (bijvoorbeeld: racistische of homofobe uitlatingen in het openbaar, aanzetten tot discriminatie) en de woorden uitgesproken tijdens de daad (bijvoorbeeld: racistische of homofobe beledigingen)
     
  • het karakter zelf van de aantastingen aan het slachtoffer (gewelddadige fysieke aantasting en sterke psychologische aantasting). Het is inderdaad bewezen dat de misdrijven gepleegd uit haat veel gewelddadiger zijn en meer fysieke en morele schade berokkenen aan de slachtoffers (zie Amerikaanse studie met betrekking tot dit punt).
     
  • het gebeurlijke verleden van de verdachte of elementen die verband houden met zijn daad (bijvoorbeeld: naar aanleiding van een vroegere huiszoeking heeft men vele homofobe, racistische of andere documenten aangetroffen in zijn huis)

In dergelijke omstandigheden, wanneer het motief is aangetoond, kan de rechter bijgevolg beslissen om de minimumstraf voor de inbreuk te verdubbelen.

Een voorbeeld uit de Amerikaanse rechtspraak illustreert precies deze rechterlijke ontwikkeling3 :

Na het zien van de film “Mississipi Burning” waarin een groep blanke jongeren een jonge zwarte man vervolgen, martelen en doden, verzamelen een groep zwarte jongeren in een café waar ze hun minachting voor de blanken uitdrukken. Eén van hen stelt aan de groep voor om een blanke hetzelfde lot te laten ondergaan. Ze gaan vervolgens naar een park en slaan er een blanke jongen dood. Na het onderzoek dat rekening hield met het door de jongeren uitgedrukte voornemen in het café, besloot het tribunaal dat een verwerpelijk motief aanwezig was in hoofde van hun leider en dat hun haat voor de blanken een determinerend element was bij hun misdaad.

Strafovertredingen voorzien van verzwarende omstandigheden zijn neergelegd in verschillende wetteksten.

Het gaat hoofdzakelijk om de aanranding van eerbaarheid en verkrachting (377bis), slagen en verwondingen (405quater), nalaten of weigeren iemand die in gevaar verkeert, hulp te bieden (422quater), aanslag op de persoonlijke vrijheid en onschendbaarheid van de woning (438bis), belaging (422ter), aanranding van goede naam en eer (453bis), brandstichting (514bis), vernieling (525bis), …

Naast het aanzetten tot haat en het verwerpelijk motief, omvat de antiracismewet nog enkele specifieke bepalingen (artikelen 21, 22, 24 en 25).

De ambtenaren worden, wat hen betreft, in geval van overtreding van de strafbepalingen, zwaarder gestraft in beide wetten.

 


1 Raadpleeg hiervoor ook F.M. LAWRENCE, Punishing hate, Bias crime under amercian Law, Harvard University Press, Cambridge, Massachussets and London, England 1999.

2 Ibidem

3 Zaak Mitchell, aangehaald door F.M. LAWRENCE, o.c.

 

Print deze pagina Klein lettertype Normaal lettertype Groot lettertype Any Surfer website