Opgelet!

Dit werkinstrument heeft geen bindende legale waarde. Het is een referentiedocument gebaseerd op juridische analyse


De antidiscriminatie- en antiracismewetten (“ ADAR”)

 

Opmerking: Deze fiche heeft niet de bedoeling om exhaustief te zijn. Zij wil eerder een aanzet geven voor meer diepgaande onderzoeken binnen een ingewikkeld wetgevend domein.

Deze afkorting “ADAR” verwijst naar de twee wetten met betrekking tot de bevoegdheden van het Centrum:

  • Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, BS 30 mei 2007.
  • Wet van 10 mei 2007 tot aanpassing van het Gerechtelijk Wetboek aan de wetgeving ter bestrijding van discriminatie en tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, BS 30 mei 2007.

Hetzelfde Belgische Staatsblad publiceerde de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, die onder de bevoegdheid van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen valt. Deze drie wetten beschikken evenwel over een gelijkwaardig kader van definities, zoals bijvoorbeeld de noties directe en indirecte discriminatie, positieve actie, objectieve en redelijke rechtvaardiging, wezenlijke beroepsvereiste, …

Sinds 1981 heeft België een strafwet om racisme te bestrijden. In 2000 nam de Europese Unie twee richtlijnen aan ter bestrijding van discriminatie:

  • Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, Publikatieblad nr. L 180 van 19/07/2000 blz. 0022-0026 (“Ras”richtlijn).
     
  • Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, Publikatieblad nr. L 303 van 02/12/2000 blz. 0016-0022 (“Kader”richtlijn).

De omzetting, in Belgisch recht, van deze Richtlijnen heeft het wettelijk landschap van de bestrijding van discriminatie aanzienlijk veranderd en dit op verschillende niveaus. Inderdaad, met betrekking tot de bevoegdheden van de federale staat werd de omzetting verwezenlijkt door de hierboven vernoemde wetten. De Gemeenschappen en de Gewesten hebben ook wetgevende maatregelen moeten treffen. Een kort overzicht van alle wetgeving is consulteerbaar in extenso (wetgeving, federaal, decreten) of aan de hand van een samenvatting (wetgeving, fotografie van de antidiscriminatiewetten) op de website van het Centrum (www.diversiteit.be).

De Belgische wetgever heeft, zowel op het federale niveau als op het niveau van de deelstaten (gemeenschappen en gewesten), de potentiële slachtoffers van discriminatie een bescherming willen garanderen verdergaand dan die men in de richtlijnen terugvindt. Deze positie heeft een invloed op de graad van bescherming waarop het slachtoffer zich kan beroepen:

 

  • de beschermde criteria vernoemd in de richtlijnen (ras, etnische afkomst, geloof of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid) genieten een grotere bescherming in de domeinen voorzien door de richtlijnen (alle domeinen voor de zogenaamde “ras”richtlijn, het domein van de werkgelegenheid voor de zogenaamde “kader” richtlijn).
     
  • De beschermde criteria die niet vermeld zijn in de richtlijnen (nationaliteit, burgerlijke staat, geboorte, politieke overtuiging, fysieke of genetische eigenschap, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, sociale afkomst, vermogen, taal) genieten een minder grote bescherming in alle voorziene domeinen door de Belgische antidiscriminatiewetten. Men kan een minder gunstige behandeling gebaseerd op grond van deze criteria dus gemakkelijker rechtvaardigen.


Gevolgen op het vlak van de bescherming:

  • Op het gebied van tewerkstelling kan een direct onderscheid op grond van een « raciaal » criterium van de richtlijn enkel worden gerechtvaardigd door een wezenlijke beroepsvereiste.


Bijvoorbeeld:
Een theatergezelschap mag uitsluitend een zwarte acteur inhuren om de rol van Martin Luther King te spelen.

 

  • Op het gebied van tewerkstelling kan een direct onderscheid op grond van een “niet-raciaal” criterium van de richtlijn en binnen het domein van de tewerkstelling enkel worden gerechtvaardigd door een wezenlijke beroepsvereiste.

Bijvoorbeeld:
Een vereniging die zich om mishandelde vrouwen bekommert mag eisen dat enkel vrouwen worden aangeworven om zich te ontfermen over de getraumatiseerde vrouwen.

Het is eveneens toelaatbaar dat een reclamebureau een casting vraagt die uitsluitend is samengesteld uit oudere personen om reclame te maken voor een verzekering voor senioren.

  • Buiten het gebied van de tewerkstelling (binnen het domein van de goederen en diensten, bijvoorbeeld: horeca, banken, verzekeringen, …) is een andere rechtvaardiging mogelijk behalve voor de motieven bedoeld in de “ras”richtlijn (objectieve en redelijke rechtvaardiging).
     
  • Een direct onderscheid op grond van nationaliteit of op grond van door de wetgever toegevoegde criteria die zich in geen van beide richtlijnen bevinden, kan binnen alle domeinen worden gerechtvaardigd.

Enkele beschermingen die voortvloeien uit deze twee richtlijnen, bevinden zich ook in de CAO’s (o.a. 38 en 95). Voor meer informatie betreffende de omzetting van de richtlijnen en de grondwettelijke controle waaraan de eerste omzetting was onderworpen (wet van 25 februari 2003, gedeeltelijk vernietigd door het arrest 157/04 van 6 oktober 2004), raden wij aan de bijdrage van J. TOJEROW, « La réforme du 10 mai 2007 : motifs et orientations », in « De nieuwe federale antidiscriminatiewetten», C. BAYART, S. VAN DROOGHENBROECK, S. SOTTIAUX, Die Keure 2008, te lezen.

Het is belangrijk om te benadrukken dat deze wetten voorzien in beschermingsmechanismen voor slachtoffers en getuigen en dat een nieuwe civiele procedure werd ingevoerd. Strafrechtelijke bepalingen zijn eveneens voorzien.
 

Print deze pagina Klein lettertype Normaal lettertype Groot lettertype Any Surfer website