Opgelet!

Dit werkinstrument heeft geen bindende legale waarde. Het is een referentiedocument gebaseerd op juridische analyse


Vrijheid om zijn mening te uiten en te veruiterlijken

 

 

De vrijheid van meningsuiting is zeker en vast één van de fundamentele waarden van een democratie en dit principe werd bekrachtigd op internationaal niveau.

 

Het is meer bepaald vastgelegd in artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (zie website van het Centrum, www.diversiteit.be, wetgeving, internationaal):

Artikel 10. Vrijheid van meningsuiting

  1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroepen, en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
     
  2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Deze vrijheid is ook vastgelegd in het Belgisch recht, namelijk in de artikelen 19 en 25 van de Grondwet.

Art. 19 van de Belgische Grondwet: “De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.”

Art. 25 van de Belgische Grondwet: “De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd…”;

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft, in de loop der jaren, een uitgebreide rechtspraak ontwikkeld met betrekking tot dit principe van vrijheid van meningsuiting en zijn beperkingen.

Uit deze rechtspraak blijkt dat:

  • de vrijheid van meningsuiting zowel betrekking heeft op feiten als op waardeoordelen. Maar er is een nuancering in de bescherming: volgens de Belgische en Europese rechtspraak: “het is nodig om een zorgvuldig onderscheid te maken tussen de feiten en de waardeoordelen” want “als men de werkelijkheid van het eerste kan bewijzen, dan hoeft de nauwkeurigheid van het tweede niet worden aangetoond.” De legitimiteit van een eventuele sanctie zal strenger worden beoordeeld in dit laatste geval omdat er afbreuk kan worden gedaan aan de vrije meningsuiting zelf, een fundamenteel element van het recht gewaarborgd door art. 10 van de Conventie1.
  • Ze geldt even goed voor ideeën die kwetsen, choqueren of verontrusten2.
  • De vrijheid van meningsuiting heeft betrekking op zowel de keuze van het medium als op die van de inhoud van de boodschap.
  • De vorm waarin het bericht wordt uitgedrukt, is van geen belang (heeft zowel betrekking op kunst als op symbolen).

Deze rechtspraak geeft blijk van een heel brede interpretatie door het Hof van het principe in kwestie en beperkingen worden moeilijk aanvaard3.

Met betrekking tot deze beperkingen kan men de volgende principes uit de Belgische en Europese rechtspraak afleiden:

  • Geen enkele vrijheid is absoluut. Elke vrijheid kan onderworpen worden aan beperkingen op voorwaarde dat zij bij wet worden voorzien en ter bescherming van één van de motieven opgesomd in alinea 2 van artikel 10 van de Conventie: “Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen”4.
     
  • Wanneer er een belangengeschil rijst tussen de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting en de naleving van andere rechten en vrijheden, dan moeten de hoven en rechtbanken proberen om een rechtvaardig evenwicht te vinden tussen de concurrerende vrijheden en rechten. De methode bepleit door het Hof van de Mensenrechten te Straatsburg en aanbevolen door het Hof van Cassatie van België, bestaat erin om de betrokken rechten en vrijheden af te wegen om op die manier te controleren of de ingevoerde beperkingen het noodzakelijke voor de bescherming van de –zogenaamd door het persagentschap geschonden- individuele rechten niet overschrijden.

In het kader van dit onderzoek naar evenwicht duidt het Europees Hof enerzijds aan dat de bovengenoemde beperkingen “proportioneel aan het rechtmatig nagestreefde doel” moeten zijn, en anderzijds dat “het nodig is om een zorgvuldig onderscheid te maken tussen de feiten en de waardeoordelen”, want “als men de werkelijkheid van het eerste kan bewijzen, dan hoeft de nauwkeurigheid van het tweede niet worden aangetoond”5.

De Belgische en internationale rechtspraak maakt wat de beperkingen betreft die aan de vrije meningsuiting worden gesteld, een onderscheid in functie van het domein waarbinnen de persoon die zich uitspreekt zich bevindt: de pers, het artistiek milieu, de openbare dienst, …

  • In dit opzicht meent het Hof dat “de beperkingen van aanvaardbare kritiek ruimer zijn ten opzichte van een politieke figuur, gezien in een dergelijke hoedanigheid dan ten opzichte van een gewone particulier”6.
     
  • Het Hof deelt mee dat de aangeklaagde feiten niet afzonderlijk onderzocht kunnen worden, maar dat zij in het licht van het geheel van de zaak moeten worden overwogen, ook in de context waarin zij hebben plaatsgevonden7.
     
  • Op grond van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, kan men van mening zijn dat de opinies slechts juridisch kunnen worden aangevochten op grond van hun potentiële gevolgen voor de burgers in het bijzonder of de samenleving in zijn geheel zonder dat men uitsluitend met hun inhoud in se rekening kan houden8.
     
  • Ten slotte bevinden sommige opinies zich buiten de beschermingsfeer van de vrije meningsuiting: bijvoorbeeld: een negationist kan zich niet beroepen op de bescherming van artikel 10 van de Conventie om aanspraak te maken op het recht om misdaden tegen de mensheid in twijfel te trekken. Racisme, homofobie of antisemitisme werden tot nu toe nog niet begrepen in de uitzondering.

In het arrest Stoll vs. Zwitserland, 10 december 2007 (overweging 101) wijst het Hof nogmaals op het feit dat:

  • i. De vrijheid van meningsuiting één van de wezenlijke grondslagen vormt van een democratische samenleving en één van de primordiale voorwaarden is voor vooruitgang en voor de ontplooiing van elk individu. Onder voorbehoud van paragraaf 2 van Artikel 10, is dit niet alleen van toepassing op “informatie” of “ideeën” die gunstig worden ontvangen of als onschuldig of onverschillig worden beschouwd, maar ook op informatie en ideeën die choqueren, beledigen of verontrusten. Dit zijn tevens de eisen van het pluralisme, de tolerantie en de open geest zonder welke er geen “democratische samenleving” is. Zoals bevestigd in Artikel 10, is deze vrijheid onderworpen aan uitzonderingen, die (…), echter strikt moeten worden geïnterpreteerd, en de noodzaak om ze te beperken moet op overtuigende wijze zijn vastgelegd (…).
     
  • ii. Het adjectief “noodzakelijk”, in de zin van artikel 10 § 2, impliceert “een dringende sociale behoefte”. De verdragsluitende Staten genieten een zekere appreciatievrijheid om te beoordelen of een dergelijke behoefte bestaat. Dit gaat echter gepaard met een Europees toezicht, steunend op wetgeving en rechtspraak en uitgesproken door een onafhankelijke rechterlijke instantie. Het Hof heeft dus de bevoegdheid om in laatste instantie te beslissen of “een beperking” verenigbaar is met de vrijheid van meningsuiting zoals beschermd in artikel 10.
     
  • iii. De taak van het Hof – in de uitoefening van dit toezicht – bestaat er niet in om de plaats van de bevoegde nationale autoriteiten over te nemen, maar eerder vanuit het oogpunt van artikel 10 de uitspraken te herzien die zij in overeenstemming met hun appreciatievrijheid hebben genomen. Dit betekent niet dat het toezicht beperkt blijft tot het nagaan of de betrokken Staat zijn appreciatievrijheid redelijk, zorgvuldig en in vertrouwen heeft uitgeoefend. Het Hof moet de betwiste inmenging onderzoeken in het licht van de hele zaak en beslissen of deze “proportioneel was voor het beoogde legitieme doel” en of de redenen gegeven door de nationale autoriteiten “relevant en voldoende” blijken om ze te rechtvaardigen. Daarbij moet het Hof zich ervan vergewissen dat de nationale autoriteiten de normen toepassen in overeenstemming met de principes opgenomen in artikel 10, en bovendien, dat ze zich baseerden op een aanvaardbare beoordeling van de relevante feiten (…)”.

De principes van het Hof van Straatsburg zijn terug te vinden in de Belgische rechtspraak, o.a. van het Grondwettelijk Hof. Zie ook: Gent, 21 april 2004, VZW’s/CGKR, Liga Mensenrechten, OM.

 


 

1. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Barthold, 25 maart 1985, Publicaties van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, serie A, vol. 90, p. 25, par. 55 ; Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Lingens bovenvermeld, Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel, 28-10-2005, Affaire KIR.

2. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Handyside vs Verenigd Koninkrijk, 7 december 1976, Publicaties van het Europees Hof voor de rechten van de mens, serie A n° 24, p. 23, par. 49. Zie ook Feret vs. België, 16 juli 2009, website echr.

3. Voor een uitgebreide analyse, zie F. SUDRE, JP. MARGUENAUD, J. ANDRIANTSIMBAZOVINA, A. GOUTTENOIRE, M. LEVINET, « Les grands arrêts de la Cour européenne des Droits de l’Homme », PUF 2009, p. 603-646.

4. Alain Stowel en François Tulkens (Onder leiding van), "Prévention et réparation des préjudices causés par les médias", Larcier, 1998, p. 110

5. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Barthold, 25 maart 1985, bovenvermeld; Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Lingens, bovenvermeld, Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, 28-10-2005, Affaire KIR, bovenvermeld.

6. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Lingens, bovenvermeld, par. 42.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest Handyside, 7 december 1976, Publicaties van het Europees Hof voor de rechten van de mens, serie A nr. 24, p. 23, par. 50.

7. In dit opzicht houdt de rechtbank van eerste aanleg zich te lang op met het bepalen van de potentiële bestemmelingen en de lezers van een satirische krant om de verantwoordelijkheid van de auteurs van het werk te bepalen, Affaire UBU, 20 december 2005, niet gepubliceerd.

8. EHRM, arrest Lediheux en Isomi vs. Frankrijk, 23 september 1998, §§ 47 en 55. S. Van Drooghenbroeck en E. Brems, obs onder Gent, 21 april 2004, J.T. 2004, p. 590.


 

Print deze pagina Klein lettertype Normaal lettertype Groot lettertype Any Surfer website