Opgelet!

Dit werkinstrument heeft geen bindende legale waarde. Het is een referentiedocument gebaseerd op juridische analyse


FAQ



Ik ben een leerling-e/student-e

 

Zowel in het vrij als in het officieel onderwijs is het principe van de individuele vrijheid van de leerlingen en de niet-discriminatie van toepassing.

 

De vrijheid van de leerlingen om binnen de schoolmuren en in de klas hun overtuigingen te veruiterlijken is een juridische zekerheid (zie evenwel fiche Religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen versus politieke overtuigingen). Deze vrijheid is evenwel niet absoluut.

 

Er zijn natuurlijk beperkingen die te maken hebben met veiligheid.

 

Daarnaast mag de vrijheid van overtuiging geen aanleiding geven tot bekeringsijver of andere vormen van druk op de vrijheid van andere leerlingen. Maatregelen die scholen nemen om bekeringsijver of druk op bepaalde leerlingen tegen te gaan, zijn dus gerechtvaardigd. De vrijheid van overtuiging mag evenmin een voorwendsel zijn om niet deel te nemen aan bepaalde schoolactiviteiten of bepaalde leerstof niet te studeren.

 

Vervolgens kan de vrijheid van overtuiging beperkt worden op grond van de opdracht eigen aan de school: jongeren vormen, democratische waarden bijbrengen: gelijkheid van alle mensen, enz. Veruiterlijkingen die ingaan tegen deze waarden kunnen terecht verboden worden. Dit is bijvoorbeeld het geval voor politieke extremistische kentekens.

 

Voorstanders van een verbod op de hoofddoek op school halen twee beperkingen aan, namelijk de hoofddoek zou een politiek teken zijn (bekeringsijver, sociale controle) en een genderelement bevatten (in tegenstrijd met de gelijkheid man/vrouw). Het debat over deze dubbele kwestie houdt de samenleving bezig: is de hoofddoek een politiek teken? Gaat de hoofddoek in tegen de gelijkheid man–vrouw? Dit debat roept ook de vraag op of, mocht het antwoord op de twee vorige vragen positief zijn, een eenvoudig verbod in verhouding staat tot het beoogde doel: bekeringsijver bestrijden en de gelijkheid man/vrouw promoten.

 

Deze vragen stellen zich in de verschillende Gemeenschappen, maar de wettelijke context is verschillend van de ene tot de andere Gemeenschap: alle antidiscriminatiedecreten bieden niet dezelfde bescherming aan de leerlingen.

 

Tot op heden hebben de politieke overheden het niet opportuun geacht om wetgevend op te treden inzake het dragen van veruiterlijkingen van overtuigingen op school. Het antwoord van de politieke wereld was om de scholen autonoom te laten beslissen en dit in alle Gemeenschappen.

 

Twee vaststellingen dringen zich echter op:

  • weinig huishoudelijke reglementen die een verbod op de hoofddoek bevatten, roepen pedagogische redenen in of motieven die te maken hebben met burgerschap, zoals de gelijkheid man/vrouw, de neutraliteit van het onderwijs, of het recht van de school om zich te beroepen op het begrip "tendensonderneming" voor wat de vrije scholen betreft. In de meeste gevallen betreft het verbod alle hoofddeksels en verwijst het bijvoorbeeld niet naar politieke symbolen, wat de indruk geeft dat er enkel gefocust wordt op de hoofddoek.
  •  In de praktijk dient vastgesteld te worden dat dit beleid geleid heeft tot een toename van het verbod op het dragen van de hoofddoek, in die mate dat het verbod vandaag de norm is geworden. De beslissingen van de directies beïnvloeden andere scholen en het hele schoolsysteem, zodat de jonge meisjes die de hoofddoek dragen zich concentreren in scholen zonder verbod (de zogenaamde “ghettoscholen”). Zo hebben in juni 2009 de athenea van Antwerpen en Hoboken, wiens pedagogisch project gericht was op culturele diversiteit en het aanvaarden van culturele en godsdienstige veruiterlijkingen, nagenoeg als laatste, beslist dat een verbod zou ingaan vanaf het schooljaar 2009-2010. De autonomie van de scholen is dus fictie geworden.

 

Op grond van deze twee vaststellingen besluit het Centrum dat het huidige systeem zijn grenzen bereikt heeft.

 

>> Standpunt Centrum

 

De autonomie van de scholen betreffende het al dan niet verbieden van veruiterlijkingen van overtuigingen is op lange termijn geen oplossing. Ze roept frustraties en verwarring op. De scholen, hun leerlingen en de ouders hebben recht op meer duidelijkheid. Het is niet wenselijk om de situatie aan te pakken door telkens de huishoudelijke reglementen aan te passen.

 

We herhalen dat het recht om zijn mening te uiten een fundament is van onze democratische samenleving. Maar deze vrijheid is niet absoluut en we mogen, voor wat betreft de scholen, niet blind zijn voor de problematiek van de bekeringsijver verbonden met het dragen van de hoofddoek, alsook andere aspecten zoals de gelijkheid man/vrouw, de neutraliteit van het officieel onderwijs,…

 

Een verbod moet evenwel de uitzondering blijven. En elk verbod moet degelijk omschreven en gerechtvaardigd zijn. De afbakening van deze definities mag niet stoelen op individuele beslissingen. Daarom moeten alle betrokken actoren rond de tafel gaan zitten om een evenwicht te bereiken dat aan de verwachtingen van leerlingen en scholen tegemoet komt. Er moet absoluut vermeden worden dat het debat escaleert of radicaliseert. Het Centrum is er van overtuigd dat een sereen debat, waaraan eerder de betrokken personen deelnemen dan woordvoerders van een bepaalde ideologie, kan leiden tot constructieve en onderhandelde oplossingen.
 

Print deze pagina Klein lettertype Normaal lettertype Groot lettertype Any Surfer website